Hebben en zijn

 Op 8 oktober 2007 heb ik een column mogen verzorgen in het programma Kerkvenster van de Lokale Omroep Ede. Omdat ik in die tijd al bezig was met de voorbereidingen voor de komende Santiagoreis, heb ik geprobeerd dit element in deze column te verwerken. Tevens kon ik daarbij iets van mijn Hongaarse ervaringen kwijt, maar op de achtergrond hoorde ik toch steeds de woorden klinken uit het schitterende gedicht “Hebben en Zijn” van Ed Hoornik (1910-1970).



De Fins-Oegrische talen ,zoals het Hongaars en het Fins, kennen niet het werkwoord “hebben”, zoals in onze taal. Voor bezitsaanduidingen gebruikt men het werkwoord “zijn”.  Zo zegt een Hongaar nooit “ik heb een auto”, maar hij zegt “de auto is aan mij”. Hij zegt ook niet “ik heb kinderen”, maar “de kinderen zijn aan mij”. De verklaring van dit taalfenomeen is dat deze volkeren vroeger leefden als rondtrekkende stammen. En als je voortdurend mobiel moet zijn, dan zijn bezittingen een last, want je moet het steeds maar weer meenemen, zoals dat nu nog geldt voor de huidige pelgrims naar Santiago de Compostela in Noordwest Spanje. Later in de geschiedenis (rond 900) hebben diezelfde Hongaarse stammen zich gevestigd in het Karpatenbekken en hebben zij nederzettingen gesticht. Vanaf dat moment werd bezit steeds belangrijker. En dat is vandaag de dag, net als bij ons, een feit in Hongarije. Maar in de taal ontbreekt nog steeds het werkwoord “ hebben” .

Voor ons, die leven in een commerciële, materialistische maatschappij is dat bijna onvoorstelbaar. Wij worden voortdurend uitgedaagd om dingen aan te schaffen en te hebben. Daarvan getuigen alle reclameboodschappen die in velerlei vormen tot ons komen. Het is in onze maatschappij zelfs zo, dat je met bezit je status kunt aangeven. Met een dure auto en een grote villa, druk je niet alleen uit dat je rijk bent, maar ook dat je belangrijk bent.
Voor de rondtrekkende stammen van weleer was het belangrijker wie je bent. In zo’n geval probeerde je je status te bewijzen door: je moed, je trouw, je gastvrijheid, je wijsheid, en ga zo maar door. Kortom “zijn” is belangrijker dan “hebben”.

Daaraan moest ik denken toen er onlangs in het programma “ het elfde uur” stilgestaan werd bij het pelgrimeren naar Santiago de Compostela.
Één van de gasten was Hape Kerkeling, een Duitse TV-ster. De reden van zijn aanwezigheid werd snel duidelijk: Kerkeling had een boek geschreven over zijn voetreis naar Santiago de Compostela met als titel “ik ben er even niet”.  En tot zijn grote verbazing was het een bestseller geworden: in korte tijd ruim 2 miljoen boeken verkocht!
Het gesprek van Knevel met deze Nederlands sprekende Duitser bleef m.i. wat oppervlakkig. De obligate vragen, die we van Knevel kennen, werden ook nu gesteld. Waarom heb je die reis gemaakt? Heeft de reis je veranderd? Geloof je in God? Was God erbij toen je die reis maakte? En de antwoorden van Kerkeling op al deze vragen waren steeds positief.Nu was pelgrimeren in het verleden bij uitstek een Rooms-Katholieke aangelegenheid. Vroeger, al sinds de Middeleeuwen, ging men de camino lopen om de Heilige Jakobus te eren, of om genezing voor ziekte te ontvangen, of vanuit een vorm van boetedoening. En natuurlijk heeft de reformatie daar een grote streep door gezet.
Het zal daarom wel geweest zijn, dat ik, enigszins vooringenomen, dacht : wellicht kan die protestante Knevel niet zo goed uit de voeten met dit onderwerp.

Hoe het ook zij, ook vandaag de dag voelen veel mensen opnieuw de behoefte om zo’n pelgrimsreis te ondernemen. Ze komen uit alle lagen van de bevolking, van jong tot oud, en vertegenwoordigen allerlei kerkelijke denominaties. Ze gaan per fiets, dan wel te voet. Sommigen reizen daarvoor eerst naar Zuid-Frankrijk, weer anderen starten in Midden Frankrijk en er zijn er ook die starten bij de voor- of achterdeur van hun huis. In 2005 werd Santiago bezocht door ruim 94000 pelgrims, terwijl dat er in 1987 slechts 2500 waren. Ook uit Nederland gaan jaarlijks honderden mensen te voet of per fiets naar Santiago. Vorig jaar in 2006 waren dat er wel 1633.

Waarom is het maken van dit soort tochten zo populair geworden? Wel, meestal niet meer om de heilige Jacobus (San Tiago) te vereren of om boete te doen. Nee, men ziet de tocht naar Santiago de Compostela veel meer als een spirituele tocht. Spiritueel, in de betekenis van geestelijk, als tegenhanger van materieel, waarbij het onderweg-zijn belangrijker is dan het doel!

Men wil ontsnappen aan de heksenketel van het dagelijkse bestaan, waar de overvolle agenda steeds de regie voert. Waar je wel toekomt aan piekeren en denken, maar niet meer aan nadenken en overdenken. Nadenken over het leven, over je bestaan en over je eigen levensweg. En onderweg zijn je voeten belangrijker dan het hebben van veel spullen. “Alles wat je niet meeneemt is meegenomen”, want een rugzak is snel vol en je moet het allemaal meedragen. En de cadans van het lopen helpt je om je hoofd leeg te maken en om tot allerlei nieuwe inzichten te komen. De prachtige titels van de vele boeken die het lopen heeft opgeleverd spreken wat dat betreft voor zich, zoals “De ziel gaat te voet”, “Weggelopen woorden”, “Lopen loutert” en zo kunnen we nog een heel tijdje doorgaan.
Kortom “zijn”  wordt weer belangrijker dan “hebben”!
En het advies van de vele mensen die de tocht hebben gemaakt is steeds hetzelfde: “gaan”.
 
Ik sluit af met het al eerder genoemde gedicht van Ed Hoornik:
 
 
Hebben en zijn
Op school stonden ze op het bord geschreven.
Het werkwoord hebben en het werkwoord zijn;
Hiermee was tijd, was eeuwigheid gegeven,
De ene werklijkheid, de and´re schijn.
 
Hebben is niets. Is oorlog. Is niet leven.
Is van de wereld en haar goden zijn.
Zijn is, boven die dingen uitgeheven,
Vervuld worden van goddelijke pijn.

Hebben is hard. Is lichaam. Is twee borsten.
Is naar de aarde hongeren en dorsten.
Is enkel zinnen, enkel botte plicht.

Zijn is de ziel, is luisteren, is wijken,
Is kind worden en naar de sterren kijken,
En daarheen langzaam worden opgelicht.